De geografische kenmerken van een fruitteelt-perceel hebben invloed op de vorstgevoeligheid van het perceel. Deze kenmerken zijn heel plaatsgebonden en afhankelijk van heel wat factoren. Dit maakt de vorstgevoeligheid heel moeilijk te voorspellen. Een aantal factoren die de vorstgevoeligheid van een perceel kunnen beïnvloeden, worden hieronder besproken, zonder daarin volledig te zijn.

3.1 Hoogte van het perceel

Warme lucht heeft een lagere dichtheid dan koude lucht. Dat betekent dat warme lucht dus stijgt tov koude lucht, of omgekeerd, dat koude lucht daalt tov warme lucht. Dit verschijnsel noemt men inversie. Dit verklaart waarom de temperatuur aan de bodem ‘s nachts vaak enkele graden lager ligt dan de temperatuur op enkele meters hoogte.

Dit fenomeen is echter ook waarneembaar in een glooiend landschap. Koude lucht verdringt de warme lucht uit de lager gelegen plaatsen (valleien), waardoor de gemeten temperatuur op die plaatsen ‘s nachts dus lager zal zijn. Fruitpercelen gelegen in een dal zijn dus over ‘t algemeen vorstgevoeliger dan percelen gelegen op een heuvel of hoger gelegen stuk grond.

Figuur: Koude wind verlaatst naar het dal (Synder & de Melo-Abreu, 2005)

3.2 Helling van het perceel

Ook de aanwezigheid van een hellingsgraad in het perceel en de oriëntatie van die helling hebben een invloed op de eventuele graad van vorstschade.

Zo zal een perceel op een zuidelijk geöriënteerde helling in het voorjaar meer zonlicht krijgen dan een perceel op een noordelijk geöriënteerde helling. Daardoor zullen de bomen op dit zuidelijke gerichte perceel sneller bloemen, wat de kans op vorstschade groter maakt, aangezien er vroeger in de lente meer kans is op vorstnachten dan later in de lente.

Anderzijds zal een noordelijk gericht perceel door de beperktere zoninval minder opbrengst hebben dan een zuidelijk gericht perceel, door de kleinere zoninstraling in de groei-periode.

Bij vorstgevoelige teelten in heuvelachtige gebieden moet de teler dus een afweging maken tussen de kans op opbrengstverlies door vorst (teelt op zuidelijke helling) en het opbrengstverlies door minder zoninval (teelt op noordelijke helling).

3.3 Bodem

De bodem kan afhankelijk van het type een goede of slechte impact hebben op de vorstbescherming. Veengronden geven een positieve invloed en zijn minder gevoelig aan vorst dan kleigrond. Zandgrond is vorstgevoeliger dan kleigrond. Onderstaande figuur geeft weer welke grondtypes er in België aanwezig zijn.

Figuur: Bodemtypes in België (Geopunt)

3.4 Landschapselementen

De aanwezigheid van landschapselementen kan invloed hebben op de temperatuur van het fruitperceel, dus ook op eventuele vorstschade. Zo kan de aanwezigheid van obstakels (dorpen, bossen, hagen) beletten dat koude wind doordringt in het perceel (bv als deze obstakels zich bevinden boven een hooggelegen fruitperceel op een helling). Anderzijds kunnen deze landschapselementen ook zorgen dat de koude lucht net ‘gevangen’ zit in het fruitperceel (bv bij wisselende windrichting), wat dan weer een negatief effect kan hebben.

Het effect van landschapselementen op de effectieve temperatuur in een fruitperceel is zo complex en plaats-/tijdsgebonden dat het onmogelijk is om hierover een algemene uitspraak te doen.