Skip to main content

Inwendige schade

Bloemen of kleine vruchtjes raken inwendig beschadigd wanneer er binnenin ijskristallen gevormd worden. Die ijskristallen groeien vooral tussen de cellen (extracellulair) en onttrekt water uit de aanliggende cel, waardoor die uitdroogt. Wanneer de uitdroging een kritisch punt bereikt, wordt de stabiliteit van de celmembranen onherstelbaar aangetast en sterft af.

Je kan die schade vaststellen door na een vorstnacht de bloemen in de lengte door te snijden. Doe dat best rond 14u00, wanneer het bevroren weefsel geoxideerd en bruin geworden is. Naarmate de ernst van de bevriezing toeneemt, loopt deze schade op. De beoordeling wordt opgedeeld in vier klassen: schade aan de stamper (klasse 2), schade aan de stamper en de bloembodem (klasse 3) en schade aan de stamper, de bloemboden en de ovules (klasse 4, zwaarste klasse) (Figuur 1). Schade aan de stamper verhindert verdere bestuiving, maar dat is geen probleem wanneer de bloem reeds bestoven is. Schade aan de ovules betekent bij appel, kers en niet- parthenocarpe peer (alle peren behalve Conference) dat de bloem afsterft en dat er geen vrucht zal gevormd worden. Schade aan de bloembodem zorgt voor wisselende gevolgen. Er is een grote kans dat de bloem afsterft en als er toch een vrucht komt, zijn er vaak zware schilafwijkingen en eventuele misvormingen.

Houd bij de vaststelling van vorstschade rekening met de hoogte in de boom. Na windstille vorstnachten kan het percentage beschadigde bloemen veel lager liggen op 2 m hoogte in de boom dan op 1 m hoogte (inversieverschijnsel). De ‘koppen’ van de bomen kunnen nog een behoorlijke oogst per hectare opleveren. Conference is de uitzondering. Zelfs wanneer de ovule bevroren is, kan een bloem zich nog ontwikkelen tot een vrucht vanwege de sterke neiging naar parthenocarpe vruchtzet. Als je de bloemen na de nachtvorst behandelt met groeiregulatoren, eventueel in combinatie met 6-BA, dan stimuleer je de parthernocarpe vruchtzet verder. Het nadeel is wel dat vruchten dan een flesvorm, langgerekte en smal, krijgen. Door het ontbreken van zaden zullen bevroren bloemen steeds kleinere vruchten produceren. Wanneer de vruchten met groeiregulatoren behandeld worden, let dan op dat de vruchtzet niet te hard wordt gestimuleerd. Dat zou de vruchtmaat nog verder verlagen en eveneens de reden waarom men bij de teelt van Conference geen GA3 gebruikt.

De bomen van pit- en steenfruit produceren zeer veel bloemen in vergelijking met het aantal vruchten dat uiteindelijk aan de boom komt. Er bestaat dus een vrij grote marge vooraleer vorstschade effectief resulteert in een lagere opbrengst. Bij appelen en peren volstaat het dat slechts 20 tot 30% van de bloemen (ongeveer 2 bloemen/cluster) de vorstperiode overleeft om toch tot een volledige opbrengst te komen als voldoende bloemknoppen aanwezig zijn.

Wanneer een boom door zware vorstschade weinig vruchten produceert, geraakt de boom uit balans. Vooral relatief jonge bomen zullen de energie die ze normaal in hun vruchten investeren, inzetten voor een (te) sterke vegetatieve groei. (Wortel)snoei of groeiregulatoren kunnen een noodzakelijk neveneffect zijn van zware vorstschade.

Schilschade

Wanneer er in een gevorderd fenologisch stadium vorstschade bij de ontwikkelende vruchtjes optreedt, is sterke inwendige schade minder waarschijnlijk (tenzij bij zeer lage temperaturen). De schil is echter erg kwetsbaar. Bij appelen en peren wordt bij nachtvorst typisch de schil rond de stampers beschadigd (Figuur 2). De vrucht ontwikkelt zich verder, maar komt bij sortering steeds in de rebutklasse terecht (slechts ±10% prijs klasse A, dus economisch verlies). In de figuur zie je dat 2 dagen na de vorstschade de schil rond de neus afsterft (1) of grotendeels loskomt (2). Wanneer de vrucht zich verder ontwikkelt, blijven oppervlakkige (3 en 4) of diepe (5) ringen achter. Ook bavetten/stropdassen (6) komen voor.

Bij peren resulteert de late vorstschade vooral tot een algemene verruwing van de schil, maar ook tot pleksgewijze oppervlakkige tot zeer diepe beschadigingen (alleen bij zeer lage temperaturen) (Figuur 3). Voor peren met een gladde schil zoals Doyenné, resulteert de verruwing zoals bij appel in een zeer lage prijs. Voor Conference met een ruwe schil is het prijsverlies gering, tenzij er zeer zware beschadigingen optreden. In de figuur zie je dat 2 dagen na de vorstschade de schil loskomt (bubbels) bij Doyenné (1) en Conference (2). Na enkele weken evolueert dat naar verruwing (3, Doyenné) of naar sterk opstaande verruwing (Conference, 4). Je ziet opnieuw ringen (5). Bij zeer zware vorst treden er scheuren op (6), die soms erg diep zijn (7).

Bij de kersen gaat schilschade op ontwikkelende vruchten vaak gepaard met ernstige inwendige schade, waardoor de vruchten in de komende weken afruien. Op figuur 4 zie je uitwendige (boven) en inwendige (onder) schade bij kers. Vruchten in de tweede rij met bronze vruchtschil vertonen nog een gelijkaardige vruchtzet aan gezonde vruchten. Vruchten in rijen 3 en 4 ruien af. 

Relatie temperatuur en vorstschade

Voor alle fruitsoorten geldt dat naarmate de bloem verder ontwikkeld is, de kritische nachtvorsttemperatuur stijgt. In vergelijking met een ontwikkelde vrucht, verdraagt een bloem lagere temperaturen vooraleer schade te ondervinden. Volgende tabellen tonen een overzicht van de kritische luchttemperaturen in functie van het ontwikkelingsstadium voor appel, peer en kers. Die tabellen geven de luchttemperatuur aan waarbij er respectievelijk 10% en 90% van de bloemen/vruchten wordt gedood bij een blootstelling van 30 minuten.

In onderstaande Tabellen 1-3 zie je de kritieke temperaturen i.f.v. het ontwikkelingsstadium. Er bestaan verschillende versies van deze tabellen. Zij worden opgesteld door takken met bloemen gecontroleerd af te laten koelen in koelkamers. De resultaten van die testen kunnen desalniettemin afwijken van de effecten die optreden in het veld, waar sterke stralingsverliezen bij open hemel ervoor zorgen dat de bloemen afkoelen tot temperaturen onder de luchttemperatuur. Afhankelijk van de positie in de kruin kunnen sommige bloemen meer of minder warmte verliezen. Het effect van de duurtijd van verlaagde temperaturen op de uiteindelijke vorstschade is minder duidelijk, maar de duur van nachtvorst wordt over het algemeen als minder belangrijk ingeschat dan de laagste temperatuur die bereikt wordt aan de bloem/vrucht. Wanneer bij vorstbeschermingstechnieken wordt verwezen naar ‘bescherming tot …°C’, wordt hiermee de laagste temperatuur bedoeld, waarbij het meest gevoelige stadium van een specifiek gewas nog 100% beschermd kan worden.